• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Mediaopvoeding

Competenties

Hoe belangrijk ouders mediaopvoeding ook vinden, soms komen ze er niet aan toe om zich voor 100 procent met het mediagedrag van hun kinderen te bemoeien. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn.

  • Gebrek aan ervaring; Ouders hebben vaak minder ervaring dan kinderen met moderne media als mobieltjes, games en computertoepassingen. De meeste ouders hebben ook geen tijd om zich te verdiepen in alle websites, apps of programma's die hun kinderen opzoeken. Daardoor kan het voor ouders moeilijk zijn om er met hun kinderen over te praten, of om een goede inschatting te maken van wat geschikte en ongeschikte mediaproducties zijn.
  • Beperkte gespreksvaardigheden en zicht op ontwikkeling; lang niet alle ouders zijn in staat om op elk moment van de dag een goed gesprek met hun kinderen over het mediagebruik te voeren. Uitleggen wat je zelf wil en begrijpen waar je kind aan toe is, vereist dat je voldoende kennis hebt van de media en van de ontwikkeling van je kind. Voor veel ouders is dat niet zo vanzelfsprekend.

Andere redenen waarom ouders onvoldoende aan mediaopvoeding toekomen, zijn bijvoorbeeld:

  • Buiten het zicht van de ouder; mediagebruik is door mobiele apparaten steeds individueler. Kinderen kunnen overal filmpjes kijken, gamen of contact met anderen onderhouden. De schermen zijn klein, waardoor ouders minder goed kunnen zien wat hun kinderen doen. Daarnaast hebben kinderen op steeds jongere leeftijd media-apparaten op hun slaapkamer (Pijpers en Schols 2013) of gaan ze naar hun vrienden om te internetten, filmpjes te bekijken, of te gamen.
  • Gezinsklimaat; soms hebben ouders en kinderen geen goede verstandhouding, bijvoorbeeld bij een scheiding of als kinderen in de puberteit zijn. Kinderen krijgen of accepteren dan minder begeleiding van hun ouders en zoeken zelf tv-programma's, films, websites en games die ze interessant vinden. Als kinderen minder goed contact met hun ouders hebben, lopen ze extra risico om door de media beïnvloed te worden.
  • Onbezorgd. Sommige ouders maken zich weinig zorgen over de effecten van de media op hun eigen kinderen. 'Onbezorgde' ouders verbieden minder vaak bepaalde games of sites, nemen minder voorzorgsmaatregelen en komen er minder aan toe om met de kinderen te praten, hen te wijzen op goede of slechte informatie, en uitleg te geven (Duimel en De Haan 2007).

Opleidingsniveau

Doorgaans zeggen ouders met een hogere opleiding dat zij meer betrokken zijn bij het mediagedrag van hun kinderen dan ouders met een minder hoge opleiding, dat gold althans vooral voor televisie kijken (Valkenburg et al. 1999). Hoger opgeleide ouders voelen zich beter in staat om in de gaten te houden welke programma's kinderen zien en kunnen ook beter aangeven wat er goed of slecht is aan bepaalde mediaproducties. Bij gamen spelen lager opgeleide ouders juist meer met hun kinderen en discussiëren zij ook vaker over de inhoud en mogelijke effecten daarvan, mogelijk omdat lager opgeleide ouders zelf ook graag gamen en daardoor beter weten wat games kunnen doen (Nikken en Jansz 2006). Ook bij het internet lijken lager opgeleide ouders meer bewust; zij stellen meer restricties en praten vaker over de gevaren van social media met hun kinderen dan hoger opgeleide ouders (Nikken en Jansz 2013).

Moeders doen meer aan mediaopvoeding

Moeders geven in het algemeen aan dat zij meer aan mediaopvoeding doen dan vaders (Nikken 2012). Dat wordt vaak ook herkend door de kinderen (Sonck e.a. 2013; Nikken en Jansz 2006). Vaders zijn daarentegen wel wat meer betrokken bij het oplossen van problemen met de computer en bij het installeren van filters en andere technische applicaties. Dat moeders hun kinderen vaker begeleiden bij het mediagebruik komt mogelijk doordat zij meer betrokken zijn bij de opvoeding in het algemeen, en omdat ze vaak meer bezorgd zijn over invloeden van de media dan vaders. Die zorg vertaalt zich ook in de verschillende begeleiding van jongens en meisjes. Bij meisjes zijn ouders meestal meer geneigd om het televisiekijken, internetten of gamen in de gaten te houden dan bij jongens.

Bronnen

  • Duimel, M. en J. De Haan (2007), 'Nieuwe links in het gezin: de digitale leefwereld van tieners en de rol van hun ouders'. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Nikken, P. en J. Jansz (2006), 'Parental mediation of children's videogame playing: A comparison of the reports by parents and children', in: 'Learning, Media and Technology', 31, p.181-202.
  • Nikken, P en J. Jansz (2013), 'Developing scales to measure parental mediation of young children's internet use', in: 'Learning, Media and Technology'.
  • Pijpers, R. en M. Schols (2013), 'Iene Miene media 2013', Leidschendam: Mijn Kind Online / mediawijzer.net.
  • Sonck, N., Nikken, P. & de Haan, J. (2013). Determinants of internet mediation: A comparison of the reports by parents and children. Journal of Children and Media, 7, 96-113.
  • Valkenburg, P., M. Krcmar, A. Peeters, en N. Marseille (1999), 'Developing a scale to assess three styles of television mediation: “instructive mediation,” “restrictive mediation,” and “social coviewing”. Journal of Broadcasting & Electronic Media, 43, 52-66'.
Vragen?

Peter Nikken is contactpersoon.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.