• HET NJi WERKT AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Monitoring

Beleid

Wat staat er over het monitoren van de kwaliteit van de zorg en ondersteuning voor kinderen, jongeren en hun ouders, in de wetten waarin deze zorg en ondersteuning is geregeld?

Jeugdwet

De doelgroep van de Jeugdwet: kinderen en jongeren tot 18 jaar en hun gezinnen, die te maken hebben met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. 

  • Gemeenten moeten in hun beleidsplan over preventie en jeugdhulp en de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering aangeven welke resultaten zij willen bereiken, hoe zij de resultaten meten en welke outcome-criteria zij gebruiken om de resultaten van de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen te meten (art.2.2.2, lid c).
  • Gemeenten moeten in een verordening (waarin de regels staan voor de uitvoering van het beleidsplan) beschrijven welke eisen zij stellen aan de kwaliteit van de jeugdhulp, en aan de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering (art.2.12).
  • Gemeenten moeten jaarlijks onderzoeken hoe cliënten de kwaliteit van de ondersteuning ervaren  (art. 2.10).
  • Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen moeten systematisch gegevens verzamelen en registreren over de kwaliteit van de hulp en toetsen of de hulp verantwoord is (art. 4.1.4). Verantwoorde hulp is veilig, doeltreffend, doelmatig, cliëntgericht en afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder (art.4.1.1).
  • Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen moeten jaarlijks rapporteren hoe vaak en op welke manier de kwaliteit is beoordeeld en wat de resultaten zijn (art. 4.3.1).
  • Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen moeten gegevens over het jeugdhulpgebruik en de inzet van jeugdbescherming en jeugdreclassering aanleveren bij de gemeente en de ministers van VWS en van VenJ (art.7.4.3). Gemeenten gebruiken deze gegevens voor een doelmatig, doeltreffend en samenhangend jeugdbeleid (art.7.4.1.2).
  • Gemeenten moeten gegevens over het jeugdhulpgebruik en de inzet van jeugdbescherming en jeugdreclassering aanleveren bij de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van Veiligheid en Justitie (VenJ) (art.7.4.2). De ministers gebruiken deze gegevens voor een zorgvuldig en samenhangend jeugdbeleid en om te beoordelen of het jeugdstelsel goed werkt (art. 7.4.1.1).
  • De Inspectie Jeugdzorg moet controleren of de afspraken worden nagekomen over monitoring van de kwaliteit (art. 9.1).

Bescherming privacy:

  • Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen moeten op grond van artikel 7.4.3 van de Jeugdwet gegevens over het jeugdhulpgebruik en de inzet van jeugdbescherming en jeugdreclassering verstrekken aan de gemeenten en ministers van VWS en VenJ. In het Besluit Jeugdwet is in artikel 7.5.1.1 geregeld dat ze dit moeten doen via het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De reden is dat gemeenten en ministers niet zelf persoonsgegevens mogen vragen aan de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (art. 7.5.1.2).
  • De gegevens die het CBS verwerkt en publiceert, mag niet herleidbaar zijn tot individuele personen of instellingen. Dit is vastgelegd in art. 7.4.4.3 van de Jeugdwet. Dit artikel volgt de Wet bescherming persoonsgegevens, waarin is bepaald dat de wet de persoonlijke levenssfeer moet waarborgen (art. 23.1, lid f).
  • In artikel 7.5.3. van het Besluit Jeugdwet is uitgewerkt welke gegevens de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen moeten aanleveren. Dit zijn gegevens over de kenmerken van de jeugdige en kenmerken van de jeugdhulp, de jeugdbescherming en de jeugdreclassering.
  • Persoonsgegevens mogen worden verwerkt om een wettelijke verplichting na te komen en wanneer er een gerechtvaardigd belang is van derden. Dit is bepaald in artikel 8, onder c en f, van de Wet bescherming persoonsgegevens. De Jeugdwet voldoet aan beide voorwaarden. De Jeugdwet bevat de wettelijke verplichting om persoonlijke gegevens te verwerken voor beleidsinformatie (art. 7.4.1). De derden zijn de gemeenten en de ministers van VWS en van VenJ. Hun belang is het voeren van een doelmatig en doeltreffend beleid (art. 7.4.4.1).

Regeling Jeugdwet

In de Regeling Jeugdwet staat meer informatie over het cliëntervaringsonderzoek dat genoemd staat in art. 2.10 van de Jeugdwet:

Een onderzoek dat wordt ingesteld op grond van artikel 2.10 van de wet juncto artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bestaat mede uit een ervaringsonderzoek onder ten minste een representatief te achten aantal personen:

a. voor wie op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de wet de inzet van een voorziening is overwogen;
b. die gebruik maken van een individuele voorziening;
c. die gebruik maken van overige voorzieningen;
d. ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel is uitgevoerd;
e. ten aanzien van wie jeugdreclassering is uitgevoerd. (art. 3.1)

Voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een vragenlijst die ten minste ingaat op hoe personen als bedoeld in het eerste lid:

a. de toegankelijkheid van voorzieningen ervaren;
b. de kwaliteit van de jeugdhulp en van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering ervaren;
c. de jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering vinden bijdragen aan het gezond en veilig opgroeien, het groeien naar zelfstandigheid, de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. (art 3.2)

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Doelgroep Wet maatschappelijke ondersteuning: alle kwetsbare burgers vanaf 18 jaar met een verstandelijke, lichamelijk of zintuiglijke beperking en/of een somatische of psychiatrische aandoening. Deze wet regelt ook dat jongeren tot 18 jaar recht hebben op ondersteuning in de vorm van hulpmiddelen, woningaanpassingen, een doventolk, maatschappelijke opvang of vrouwenopvang.

  • Gemeenten moeten in hun beleidsplan over de maatschappelijke ondersteuning aangeven welke resultaten zij willen bereiken, hoe zij de resultaten meten en welke prestatie-indicatoren zij gebruiken om de resultaten te meten van de aanbieders van maatschappelijke ondersteuning (art. 2.1.2.6).
  • Gemeenten moeten in een verordening (waarin de regels staan voor de uitvoering van het beleidsplan) beschrijven welke eisen zij stellen aan de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en de algemene en maatwerkvoorzieningen die de ondersteuning bieden (art.2.1.3.2, lid c.)
  • Gemeenten moeten jaarlijks in beeld brengen hoe cliënten de kwaliteit van de ondersteuning ervaren  (art. 2.5.1).
  • Gemeenten moeten jaarlijks aan de gemeenteraad over de resultaten rapporteren (art. 2.5.3).
  • Een aanbieder van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning moet ervoor zorgen dat de kwaliteit goed is (art.3.1.1). Een kwalitatief goede voorziening is veilig, doeltreffend, doelmatig, cliëntgericht, afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van hulp die de cliënt ontvangt (art. 3.1.2).
  • Het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (AMHK) moet systematisch gegevens verzamelen en registreren over de kwaliteit van de hulp en toetsen of de hulp verantwoord is (art. 4.2.2). In een algemene maatregel van bestuur is vastgelegd welke gegevens het AMHK moet leveren aan het Centraal Bureau voor de Statistiek.
  • Gemeentelijke toezichthouders moeten controleren of de afspraken worden nagekomen over monitoring van de  kwaliteit (art.6.1).

Wet langdurige zorg

Doelgroep Wet langdurige zorg: alle mensen met een beperking die blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg nodig hebben. Kinderen en jongeren tot 18 jaar met een meervoudige beperking of een (zeer) ernstige verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking hebben op grond van deze wet recht op zorg.

  • Zorgkantoren, die de Wet langdurige zorg (Wlz) uitvoeren, moeten jaarlijks aan de Nederlandse zorgautoriteit rapporteren welke outcome-criteria zij gebruiken om hun eigen resultaten en die van de zorgaanbieders te meten (art. 4.3.3).
  • De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt toezicht op de uitvoering van de Wet langdurige zorg. De NZa meldt in het Protocol Prestatiemeting Wlz 2015 dat ze de zorgkantoren meer wil beoordelen op behaalde resultaten en minder op bedrijfsvoering. Deze ontwikkeling vloeit voort uit artikel 4.3.3 van de wet. Daarom zijn in 2015 in de prestatiemeting een aantal op bedrijfsvoering gerichte prestatie-indicatoren vervangen door output- en outcomegerichte indicatoren over doelmatigheid en kwaliteit. Output-indicatoren zeggen iets over het de hoeveelheid gerealiseerde zorg en outcome-indicatoren over de effecten van de zorg.
Vragen?

Afke Donker is contactpersoon.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.