• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Jeugdbescherming

Voogdijmaatregel

Voogdij is het gezag over een minderjarige dat door een ander dan een ouder wordt uitgeoefend (art. 1: 245 BW lid 3). Het gaat om kinderen van ouders die (tijdelijk) geen gezag meer hebben over het kind, van wie de ouders zijn overleden of kinderen geboren uit een minderjarige moeder.

Er zijn twee bijzondere vormen van voogdij: tijdelijke voogdij en voorlopige voogdij. Beide vormen kenmerken zich door hun tijdelijke aard. Dit in tegenstelling tot de ‘gewone’ voogdij, die in principe uitgesproken wordt tot een kind meerderjarig is.

Tijdelijke voogdij

Er is sprake van tijdelijke voogdij als de gezaghebbende dit tijdelijk niet kan uitoefenen (zie artikel 1:253r BW). Enkele voorbeeldsituaties:

  • als een ouder onder curatele is gesteld en er geen andere ouder is die het gezag kan uitoefenen
  • bij een onmogelijkheid om het gezag uit te oefenen wegens een geestelijke stoornis
  • als de ouder langdurig verblijft in het buitenland zonder iets geregeld te hebben voor het kind
  • als de ouder spoorloos is
  • bij langdurige opname van de ouder in een ziekenhuis
  • als de ouder gevangen zit in het binnen- of buitenland
  • bij minderjarigheid van de ouders.

De tijdelijke voogdij duurt totdat de ouder het gezag weer heeft teruggevraagd aan de rechtbank. Voor de uitoefening van de voogdijtaken gelden grotendeels dezelfde regels als bij ‘normale’ voogdij. Het accent zal bij minderjarige ouders wel anders liggen dan bij de andere gronden voor voogdij.

Voorlopige voogdij (VoVo)

Er is sprake van voorlopige voogdij (VoVo) bij een acute situatie die bedreigend is voor het kind. Een voorlopige voogdij is mogelijk op basis van artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De voorlopige voogdij gaat vrijwel altijd gepaard met de schorsing van het gezag van de ouders. De voorlopige voogdij wordt het meest toegepast in de volgende situaties:

  • als niet duidelijk is wie het gezag heeft over het kind, bijvoorbeeld na te vondeling leggen.
  • als een jeugdige van zes maanden of jonger, die niet onder voogdij van een rechtspersoon staat, zonder toestemming van de Raad als pleegkind is opgenomen (art 1:241 lid 3)
  • als er sprake van een crisissituatie en acute bedreiging voor een kind (bijvoorbeeld in geval van partnerdoding, mishandeling of ernstige verwaarlozing)
  • bij weigering van een noodzakelijke medische behandeling voor een minderjarige jonger dan twaalf jaar (of een minderjarige ouder dan twaalf die niet in staat geacht kan worden tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake). Voorbeeld hiervan is het weigeren van toestemming van een inenting.
  • na uitspraak van een buitenlandse rechtbank die na scheiding het gezag aan de andere ouder heeft opgedragen. Er is dan soms sprake van internationale kinderontvoering. Voorlopige voogdij vervalt zodra de Gecertificeerde instelling het kind aan de autoriteiten van het verzoekende land heeft overgedragen.

Termijn van de voorlopige voogdij

De VoVo heeft een hoog crisisgehalte. De schorsing van het gezag en de voorlopige voogdij zijn zeer tijdelijk: maximaal drie maanden. Als binnen die drie maanden een verzoek door de Raad wordt ingediend om blijvend in het gezag te voorzien, kan de VoVo voortduren tot er een einduitspraak is.

Wie kan voogd zijn?

Voogdij kan worden uitgeoefend door een natuurlijke persoon of door een instelling.

Voogd-natuurlijke persoon

Als pleegouders, familieleden of andere burgers de voogdij op zich nemen, is er sprake van een voogd-natuurlijke persoon.

Voogd-rechtspersoon

Voogdij kan ook worden uitgeoefend door een gecertificeerde instelling (GI). Er is dan sprake van een voogd-rechtspersoon. De raad van bestuur of het stichtingsbestuur is verantwoordelijk voor de gezagsuitoefening. De uitvoering van de voogdij wordt in handen gelegd van een jeugdbeschermer, die voogdijwerker wordt genoemd. Deze voogdijwerker voedt het kind niet zelf op, maar zorgt dat dit door anderen gebeurt.

Verantwoordelijkheden voogd

De verantwoordelijkheid van de voogd is afgeleid van het ouderlijk gezag. De voogd is er verantwoordelijk voor dat de minderjarige goed wordt verzorgd en opgevoed, maar heeft niet de plicht dit zelf te doen.

Zie ook Art. 1: 336 BW over dit onderwerp. Art. 1: 337 BW gaat nader in op de vertegenwoordiging van minderjarigen in burgerlijke handelingen (lid 1) en de bewindvoering over het vermogen van de minderjarige (lid 2). Het Burgerlijk Wetboek gaat niet in op de vraag hoe de voogd deze taken moet uitvoeren, en op wat de minderjarige nodig heeft. Voor de voogdij die wordt uitgevoerd door de gecertificeerde instelling gelden wel de bepalingen van de Jeugdwet, met name ten aanzien van de kwaliteit van de uitvoering en de rechten van cliënten.

Vragen?

Harry van den Bosch is contactpersoon.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.