• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Cijfers over Jeugd en Opvoeding

Armoede in gezinnen

Van armoede is sprake als het inkomen onder een bepaalde koopkrachtnorm ligt. Voor de afbakening van armoede gebruikt het Centraal Bureau voor de Statistiek de lage-inkomensgrens. De lage-inkomensgrens is een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum. Behalve het inkomen worden ook andere factoren meegenomen om de kans op armoede te beschrijven, zoals hoe lang een gezin van een laag inkomen leeft,  de omvang van de vaste lasten en het oordeel over de eigen financiële positie.

Kerncijfers

In 2015 leefde ruim 6 procent van de ouderparen met uitsluitend minderjarige kinderen minstens een jaar onder de lage inkomensgrens. Onder eenoudergezinnen met minderjarige kinderen is dat percentage aanzienlijk hoger, namelijk bijna 26 procent. In totaal groeiden 323 duizend minderjarige kinderen in 2015 op in een gezin met een laag inkomen.

Het percentage huishoudens (met en zonder kinderen) met een inkomen onder de lage inkomensgrens is ten opzichte van 2014 gelijk gebleven. Wel is het aandeel huishoudens dat langdurig (minstens vier jaar) met een laag inkomen moet rondkomen met name onder eenoudergezinnen met minderjarige kinderen (van 8,2 procent naar 8,5 procent) en gezinnen van niet-westerse afkomst gestegen (van 11,6 procent naar 13,1 procent). In 2015 groeiden 125 duizend minderjarige kinderen op in een gezin die langdurig van een laag inkomen moest rondkomen (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2017).

Kinderen in eenoudergezinnen

Laag inkomen kwam ook in 2015 het meest voor bij eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen. Van deze gezinnen had ruim een kwart (25,7 procent) een inkomen onder de lage inkomensgrens. Ten opzichte van 2014 is dit percentage gedaald van 28,7 procent naar 25,7 procent.

Het percentage eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen die langdurig (minstens vier jaar achterelkaar) onder de lage inkomensgrens leefde is echter sinds 2014 gestegen van 8,2 procent naar 8,5 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2017). .

Laatst bewerkt: 10 februari 2017


Gebruikte onderzoeken en/of registraties

Gebruikte publicaties

Kinderen in bijstandsgezin

In 2015 leefde 225.700 kinderen in een bijstandsgezin. In de afgelopen vijf jaar is er sprake van een gestage stijging van het aantal kinderen/gezinnen die rond moeten komen van de bijstand. In 2010 ging het om 197.380 minderjarige kinderen (Landelijke Jeugdmonitor, 2016).

In 2015 leefde 323.000 minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen. Hiervan leven bijna 125.000 kinderen langdurig, dat wil zeggen minstens vier jaar, in een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Dat zijn er 80.000 meer dan in 2014 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2017 . 

Laatst bewerkt: 9 februari 2017


Percentage arme huishoudens en herkomst kostwinnaar (2015)

Vergeleken met Nederlandse huishoudens leven aanzienlijk meer huishoudens met een kostwinnaar van niet-westerse afkomst onder de armoede grens. Van de Nederlandse huishoudens leeft in 2015 ruim 6 procent minstens een jaar onder de lage inkomensgrens. Bij huishoudens met een niet-westerse afkomst gaat het om bijna 28 procent.

Onder huishoudens met een kostwinnaar van Marokkaanse afkomst komt met ruim 31 procent het risico op armoede in 2015 het meeste voor. Daarna volgen huishoudens met een kostwinner van respectievelijk Antilliaanse/Arubaanse, Turkse en Surinaamse herkomst (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2017).

Laatst bewerkt: 10 februari 2017


NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.