• HET NJi WERKT AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Mediaopvoeding

Opvoedtaken en ontwikkeltaken

De opvoedtaak van ouders is door de komst van de media er niet makkelijker op geworden. Kinderen en jongeren besteden aardig wat uren aan beeldschermen en steeds meer kinderen hebben op jonge leeftijd een eigen televisietoestel, computer, laptop, tablet of smartphone (Nikken, 2012; Pijpers en Schols, 2013). Hoewel goed onderzoek naar de tijd die kinderen in Nederland aan media besteden schaars is en er ook weinig bekend is over kinderen in specifieke opvoedsituaties of met beperkingen, weten we wel dat:

  • tablets een enorm snelle groei doormaken; in 2013 hadden twee op de drie gezinnen met jonge kinderen er al eentje in huis;
  • peuters op een doorsnee dag een uur televisie kijken en een kwartier besteden aan computeren en gamen;
  • kinderen van circa zeven jaar ruim twee uur per dag achter een beeldscherm zitten;
  • middelbare school kinderen gemiddeld zo’n vier uur per dag door brengen met televisie kijken, gamen, internetten of communiceren via hun smartphone.
  • kinderen - zowel jongere als oudere - gemiddeld nog geen half uur per dag besteden aan lezen.

Oudere kinderen zijn meer autonoom

Ouders begeleiden het mediagedrag van jonge kinderen beduidend vaker dan het mediagebruik van pubers of adolescenten. Dat geldt zowel voor laag als voor hoog opgeleide gezinnen.

  • Bij peuters en kleuters doen ouders vooral aan supervisie en gezamenlijk mediagebruik (Nikken en Jansz, 2013). Ouders doen dan veel aan voorlezen of samen kijken en educatieve spelletjes spelen op de laptop of tablet.
  • Vanaf een jaar of zeven stoppen ouders met de supervisie en gezamenlijk media gebruiken; ouders gaan dan wel wat meer regels stellen en vaker met de kinderen over veilig mediagebruik praten. Ouders stemmen de vorm van de mediaopvoeding dus af op het ontwikkelingsniveau van het kind.
  • Kinderen van een jaar of tien zijn meer competent in het zelfstandig gebruik van de media en raken meer geïnteresseerd in sociale media of in films, series en games met volwassen thema’s als geweld, seks en alcohol; ouders gaan dan nog meer op de rem staan en of hun kinderen op de risico’s van de media wijzen.
  • Vanaf een jaar of veertien bespreken ouders weer minder vaak wat hun kinderen in de media tegen kunnen komen en stellen ze ook minder regels. De meeste oudere kinderen zijn autonoom in hun keuze van games en hun surfgedrag. Ze krijgen minder commentaar en spelen of surfen nog nauwelijks bewust samen met de ouders.

Wanneer de ontwikkeling van kinderen afwijkt van het gangbare patroon, bijvoorbeeld vanwege verstandelijke beperkingen, passen ouders uiteraard hun mediaopvoedingsgedrag aan. Ze moeten zich dan bijvoorbeeld meer en langduriger met het mediagebruik van het kind bemoeien of vaker restricties stellen.

Kinderen overzien niet alle gevaren van de media

Sommige deskundigen noemen kinderen en jongeren tegenwoordig de Generatie M, Google-kids of de Generatie Einstein (bijvoorbeeld Boschma en Groen 2007). Toch zijn lang niet alle kinderen altijd zo handig in het omgaan met de media, waardoor risico's ontstaan (Pijpers en Marteijn 2010). Ze zijn bijvoorbeeld te jong om de inhoud van een game, verhaal, of film goed te begrijpen, overzien de consequenties van hun eigen gedrag niet altijd, zijn te impulsief, of nog niet groot genoeg om een muis of toetsenbord goed te kunnen bedienen. Ook zijn er kinderen met een lichamelijke of cognitieve beperking die hen hindert in een goede omgang met de media.

Alle ouders en professionele opvoeders hebben daarom de taak kinderen al van jongs af aan te begeleiden en ondersteunen, zodat kinderen de media bewust en veilig leren gebruiken, passend bij hun ontwikkelingsfase. Kinderen die geen of onvoldoende begeleiding bij het mediagebruik krijgen lopen meer risico op de gevaren van media:

  • Kinderen besteden (te) veel tijd aan de media, waardoor andere activiteiten in het gedrang komen en hun gezondheid wordt bedreigd of schoolprestaties achterblijven;
  • Kinderen komen zaken in de media tegen waar zij emotioneel of cognitief nog niet aan toe zijn; daardoor kunnen ze ongewenst gedrag gaan vertonen, verkeerde denkbeelden krijgen, of emotioneel overbelast raken.

Uitdaging bij kinderen met een beperking

De kansen van de media zijn voor kinderen met een beperking niet anders dan voor andere kinderen. Het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen met een beperking vraagt echter wel meer investering. Zo kunnen ook deze kinderen informatie tot zich nemen, contact met anderen onderhouden, en zichzelf vermaken, mits zij passende mediaproducten met de juiste ondersteuning krijgen.

Tegelijk zijn kinderen met een beperking extra kwetsbaar, waardoor de risico’s van mediagebruik groter kunnen zijn. Door hun beperkte cognitieve ontwikkeling hebben kinderen meer moeite om uit zichzelf gevaar af te kunnen wenden of om voor zichzelf grenzen en regels te stellen. Ouders en mede-opvoeders hebben dan de taak hun mediaopvoeding meer intensief en aangepast toe te passen.

Bronnen:

  • Boschma, J. en I. Groen (2007) 'Generatie Einstein. Slimmer,sneller en socialer. Communiceren met jongeren van de 21e eeuw'. Amsterdam: Pearson Education.
  • Nikken, P. en J. Jansz (2013) 'Developing scales to measure parental mediation of young children's internet use', In: Learning, Media and Technology.
  • Pijpers. R. en T. Marteijn (2010) 'Einstein bestaat niet: Over usability en surfgedrag van jongeren'. Leidschendam: Mijn Kind Online.
  • Pijpers, R. en M. Schols (2013) 'Iene Miene Media 2013'. Leidschendam: Mijn Kind Online / Mediawijzer.net

Lees meer

Vragen?

Peter Nikken is contactpersoon.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.